Rots in de branding

Gelaagde rotsen, hier en daar groeien meidoorns, bramen en gras.

De oktoberzon schijnt als een flikkerend visnet op het water.

Langs de kust brokkelen de rotsen langzaam af. Ze vallen in zee,

waarin ze jaren heen en weer worden gesmeten en waar ze tenslotte

als zand en kiezels op het strand aanspoelen. Het is zacht, dat zand dat

tussen mijn vingers glijdt. Het kriebelt, dat zand, in mijn haar,

net als de woorden in mijn hoofd.

   "Jij?" zei ik laatst nog, "jij bent mijn rots in de branding." 

   "Ik kom naar huisje, mams," lachte je. Wat moet ik ermee?

Met al dat zand, en loop verder. Het zout prikt op mijn wangen.

Ergens, ver achter het duin, hoor ik het geluid van palen die in de grond

gestampt worden. Van zand en kiezels en water maken de mensen beton,

ze blazen het zand tot glas. Zo bouw je huizen, wolkenkrabbers, tot hoog in de hemel.

Maar jij niet, lieve Ronald. Jij blijft voor altijd een rots, een rots in de branding.

Ik zeul mijn lijf als een onwillig dier door het rulle zand tot achter het duin,

op zoek naar het gestamp van de palen.

    "Hallo, hal-lo-ho," roept de man die zijn huis van rots bouwt. Hij zwaait. Ik zwaai terug.

 Ik ken hem niet.

   "Ik ga naar Ronald," roep ik nog, maar mijn stem verwaait in de wind.

 

Het is stil onder de boom waar je begraven ligt. Het donkert en regent.

Ik sla mijn armen om je heen, ik moet mijn armen ergens omheen slaan.

Als een lappenpop zak ik door mijn knieën. Graven wil ik, een meter of twee,

tot ik bij je lieve kapotte lichaam ben. Zand plakt aan mijn handen. Er zit bloed

aan mijn nagels. Wat moet ik ermee? Met al dat zand.

"Bouwen", hijg ik, "bouwen met woorden van zand. Dat moet ik".

Als ik genoeg boeken heb verkocht ga ik een rots voor je kopen,

waar ik als een object trouvé mijn armen omheen kan slaan. Een rots die roept:

"Ik kom naar huisje, mams!"